“Daarna kwamen de Moabieten en Ammonieten met een deel van de Meunieten om oorlog te voeren tegen Josafat. 2 Enige mannen kwamen en zeiden tot Josafat: Een groot leger komt tegen u uit Edom, van de overzijde der zee. Het is al in Hazazon Tamar” (dat is En Gedi). 3 Gealarmeerd besloot Josafat de HEER te raadplegen, en hij kondigde een vasten af voor heel Juda. 4 Het volk van Juda kwam bijeen om de HEERE om hulp te vragen; ja, zij kwamen uit elke stad van Juda om Hem te zoeken. 5 Toen stond Josafat op in de vergadering van Juda en Jeruzalem bij de tempel van de HEERE, vooraan in de nieuwe voorhof 6 en zei: “,,O HEER, God van onze vaderen, bent U niet de God die in de hemel is? U heerst over alle koninkrijken van de volken. Macht en kracht zijn in uw hand, en niemand kan u weerstaan. 7 O onze God, hebt U niet de bewoners van dit land voor de ogen van uw volk Israël verdreven en het voor altijd aan de nakomelingen van Abraham, uw vriend, gegeven? 8 Zij hebben erin gewoond en er een heiligdom gebouwd voor uw naam, met de woorden: 9 ‘Als er onheil over ons komt, of het nu het zwaard van het oordeel is, of de pest of de hongersnood, dan zullen wij in uw tegenwoordigheid staan voor deze tempel die uw naam draagt en zullen wij u in onze nood aanroepen, en u zult ons horen en ons redden.’. . . 14 Toen kwam de Geest van de HEER op Jahaziël, de zoon van Zacharia, de zoon van Benaja, de zoon van Jeiël, de zoon van Mattanja, een Leviet en afstammeling van Asaf, toen hij in de vergadering stond. 15 Hij zei: “,,Luister, koning Josafat en allen die in Juda en Jeruzalem wonen! Dit is wat de HEER tot u zegt: Wees niet bang en laat u niet ontmoedigen door dit grote leger. Want de strijd is niet van u, maar van God. … . 22 Toen zij begonnen te zingen en te loven, zette de HEER hinderlagen tegen de mannen van Ammon en Moab en de berg Seir, die Juda binnenvielen, en zij werden verslagen. 23 De mannen van Ammon en Moab stonden op tegen de mannen van de berg Seir om hen te vernietigen en uit te roeien. Nadat zij klaar waren met het afslachten van de mannen van Seir, hielpen zij elkaar te vernietigen. 30 En het koninkrijk van Josafat was in vrede, want zijn God had hem rust gegeven aan alle kanten,” (2 Kronieken 20:1-9, 14-15, 22-23, 30)

Wanneer je op God vertrouwt, is er geen reden om bang te zijn.

Inleiding

Het leven kan moeilijk zijn. Christen zijn in een niet-christelijke wereld brengt allerlei problemen met zich mee. De wereld kent Jezus niet. De wereld houdt niet van Hem. De wereld begrijpt niet waarom Hij kwam. Jij, aan de andere kant, kent Jezus wel. Jullie houden van Hem. En, jij begrijpt waarom Hij kwam. Hij kwam om u te redden van uw zonden en om u nieuw leven te geven. Hij kwam om u vrede en vreugde in de Geest te brengen. Hij kwam opdat u gemeenschap zou hebben met God.

Deze dingen weet u al. En u weet ook dat, hoewel u gered bent van de zonde en vervuld met de Geest van God, het leven in deze wereld nog niet volmaakt is. Het is nog steeds moeilijk.

De christen is, in zekere zin, in een strijd met de wereld. En de wereld is in oorlog met de christen – met u. De wereld biedt ondeugden, zelfbevrediging en hebzucht. De wereld wil je bekeren tot haar heidendom, tot haar goddeloze toewijding aan het onheilige. En als je je niet schikt, als je niet door de knieën gaat voor haar afgoden en offers, zul je belachelijk worden gemaakt, bespot en aangevallen.

Dus de wereld is tegen je. De boze is in oorlog met u. En in de strijd zijn er allerlei soorten van strijd. Van binnen vecht je tegen de zonde: trots, lust, hebzucht, opschepperij, en allerlei begeerten. Aan de buitenkant worstelt u met ziekte, armoede, huwelijksproblemen, baanproblemen, een onzekere toekomst, en nog veel meer. Misschien heb je op dit moment te maken met een ernstige strijd. Of misschien heb je onlangs te maken gehad met een moeilijke situatie. Misschien vrees je dat er een op komst is.

Als christen, wat doe je als het leven hard op je neerkomt, als er geen uitweg lijkt te zijn, als je relatie met God wordt aangetast? Wanneer u bezorgd of bang bent? Wanneer u in nood bent?

Wat doet u wanneer u voor zulke monumentale obstakels staat? Hoe weersta je verleiding, vlucht je voor het kwade, of geloof je boven je vermogen hoe je problemen kunnen worden opgelost?

Het antwoord ligt in het Woord van God.

Context: Israël en Juda waren verdeeld.

  • Jehoshaphat was de 4e koning van het gescheiden koninkrijk Juda rond 850 tot 875 v. Chr. Hij was een ijverig volgeling van de geboden van God. In zijn 3e jaar zond hij enige vorsten, priesters en Levieten uit, om door alle steden van Juda te gaan en het volk te onderwijzen uit het Boek der Wet. Omdat hij de Heer zocht, namen rijkdom en eer rondom hem toe. “Josafat zocht de Here met heel zijn hart” (2 Chr.22:9).
  • Moab, Ammon en de Meunieten kwamen om oorlog te voeren tegen Josafat.
  • Jehosafat was bang; en terecht, want het leger dat op hem afkwam was inderdaad een machtig leger, groter dan wat hij aan zou kunnen. Hij was in moeilijkheden.

Lees 2 Kronieken 20, verzen 1-9, 14-15, 22-23, 30

  1. Je moet op God vertrouwen en niet bang zijn vanwege wie Hij is. Kijk met me mee naar vers 6.
    “en hij zei: ‘Heer, de God van onze vaderen, zijt Gij niet God in de hemelen? En zijt Gij niet heerser over al de koninkrijken der volken? Macht en kracht zijn in Uw hand, zodat niemand tegen U kan opstaan.
    1. ‘”Jehovah is:
      1. “…de God van onze vaderen”
        1. van Adam en Eva, van Noach, van Abraham, van Mozes
        2. daarom is Hij de God van de geschiedenis.
      2. Hij woont ook in de hemel;
        1. daarom is Hij de God der Heiligheid. De hemel is de heilige woonplaats van God.
        2. Daarom is Hij boven alle dingen. Hij is zuiver, rechtvaardig en niet in staat te zondigen.
      3. Hij is ook de heerser over alle volken;
        1. daarom is Hij de God van Soevereiniteit. Alle koningen en volken zijn van Hem. En als zodanig heeft Hij het recht over hen te heersen zoals Hij wil.
      4. Hij is almachtig;
        1. daarom is Hij de God van de macht.
          1. Hij kan doen wat Hij wil. Hij kan scheppen of vernietigen. Hij kan oprichten of afbreken.
    2. Wie is God voor u?
      1. Is Hij groot of klein?
      2. Is Hij almachtig of is Hij een watje?
      3. Houdt Hij van u of duldt Hij u slechts?
    3. Hoe u God ziet, beïnvloedt hoe u op Hem reageert.
      1. Het volk van Juda wist wie God was en daarom keken zij naar Hem om en vertrouwden zij Hem.
      2. IIn andere woorden, u moet God vertrouwen omdat Hij heilig is; Hij is een Koning, en Hij is almachtig, en omdat Hij heel veel van u houdt.
  2. U moet God vertrouwen en niet vrezen, niet alleen om wie Hij is, maar ook om wat Hij al gedaan heeft.
    Kijkt u eens met mij naar vers 7: “Hebt Gij niet, o onze God, de inwoners van dit land voor de ogen van Uw volk Israël verdreven en het voor eeuwig gegeven aan de nakomelingen van Abraham, Uw vriend?”
    1. God heeft reeds grote dingen tot stand gebracht:
      1. Hij gaf het land Kanaän aan de nakomelingen van Abraham.
        1. God koos Abraham en beloofde hem dat hij een groot volk zou worden.
        2. God wekte Mozes op en bevrijdde door vele wonderen Zijn volk uit de slavernij van de Egyptenaren. Hij scheidde de Rode Zee; Hij vernietigde de Egyptenaren.
        3. God verhief Jozua en de Hebreeuwse legers om het land Kanaän in te nemen. En daar plantte God hen in het land opdat zij vrucht zouden dragen als Zijn uitverkoren volk, zodat zij Hem konden aanbidden, eren, dienen en de weg bereiden voor de Messias.
        4. De Hebreeër kon naar beneden reiken, een hand vol aarde pakken, en de belofte aanraken, de realiteit van Gods prestaties voelen. Hij kon de belofte aanraken! Omdat de Hebreeërs God kenden en wat Hij al voor hen had gedaan, zochten zij Hem opnieuw.
          Kijk dan naar wat zij deden…
          1. Ze zochten God, vers 12: “O onze God, wilt Gij hen niet oordelen? Want wij zijn machteloos tegenover deze grote schare, die tegen ons opkomt; wij weten niet wat wij doen moeten, maar onze ogen zijn op U gericht.”
          2. Zij loofden God, vers 19, “En de Levieten, uit de zonen der Kohathieten en uit de zonen der Korachieten, stonden op om de HERE, de God Israëls, met zeer luide stem te loven.”
          3. Zij stelden hun vertrouwen op God, vers 20, “…Jeh, de God Israëls, loofde Hij. 20, “…Josafat stond op en zei: ‘Luister naar Mij, o Juda en inwoners van Jeruzalem, stel uw vertrouwen op de HEERE, uw God, en gij zult behouden worden….'”
          4. Zij dankten God, v. 21, “En hij zeide: Dankt den HEERE, want Zijn goedertierenheid is eeuwiglijk.”
        5. Wat doet u als u met beproevingen en tegenspoed te maken krijgt? Looft u God? Stelt u uw vertrouwen in Hem? Dankt u God?
          1. Wist u dat het ware karakter van een christen vaak wordt geopenbaard wanneer hij met een echt probleem wordt geconfronteerd? Hoe gaat u met uw problemen om? Raakt u in paniek? Klaagt u? Steekt u uw vuist in de lucht en schreeuwt u tegen God? Begin je te twijfelen en ren je dan voor een snelle oplossing (ren naar een zonde, de televisie, of “er niet over praten”)?, of ga je naar de Heer in gebed, nederigheid, lofprijzing en vertrouwen, en weiger je angst en zorgen een plaats te geven?
        6. Zoals je ziet, had God al grote dingen gedaan voor het Hebreeuwse volk. Hij heeft ook al grote dingen voor u gedaan… en meer.
          1. Hij heeft u verlost van de vijand die zonde heet, door u te verlossen door Zijn Zoon.
          2. Hij heeft u uit het land van het Dal van de Schaduwen des Doods gebracht en u een plaats gegeven om te rusten, en u doen neerliggen op groene weiden.
          3. Hij heeft uw hart, eens het huis van het kwaad, genomen en het overgegeven in de handen van Zijn Zoon, Jezus.
            1. Het kruis is de enige reden die u hebt voor enige hoop op bevrijding van enig conflict, probleem, strijd, of zorg.
            2. Het kruis is de absolute garantie van Gods betrokkenheid bij u. U zult nooit verlaten worden. U kunt niet verlaten worden; u kunt niet vergeten worden door God.
        7. Zij waren verlost van de loutere dreiging van de sterfelijke dood. U bent verlost van de dreiging van de eeuwige dood.
          1. Zij werden verlost van een vijand die hen wilde doden.
          2. U bent verlost van een vijand die u verdoemd wil zien.
          3. Het kruis, het bloed, de pijn, de vernedering van Jezus 2000 jaar geleden heeft u vrede, veiligheid en geborgenheid gekocht in het land van belofte: eeuwig leven bij God.
        8. De strijd zo lang geleden was niet alleen een poging van Satan om Gods volk toen te vernietigen, maar het was ook een poging om u nu te vernietigen. Geen messiaanse lijn, geen Messias, geen verlossing. Dan bent u ook verloren.
        9. God heeft u verlossing gegeven.
          1. Zal Hij minder voor u doen wanneer u moeilijkheden in uw leven ondervindt?
          2. Zal Hij u laten vernietigen? Nee!
            1. Hoe gaat u om met zonde, ziekte, liefdesverdriet, pijn, onzekerheid, enz…
            2. Betrouwt u God of twijfelt u? Heeft Hij u niet gevoed, gekleed, verwarmd?
          3. Heeft Hij u niet bevrijd van uw zonden?
            1. God heeft u niet geroepen opdat Hij u zou verlaten, maar opdat Hij u zou heiligen, heilig maken, en opdat u voor eeuwig van Hem zou genieten.
            2. Omdat Hij van u houdt… heel veel.
      2. Je moet vertrouwen op de Heer en niet vrezen, niet alleen om wie Hij is en wat Hij al gedaan heeft, maar ook om wat Hij nog zal doen.
        1. Het volk van Juda wist niet wat er zou gebeuren. Maar zij vertrouwden op de Heer.
          Kijk met mij naar:
          1. v. 15 – Vrees niet en wees niet ontsteld… want de strijd is niet van u, maar van God.
          2. v. 17 – Sta op en zie het heil van de Heer voor u (v. 17).
          3. Dit waren uitspraken in de toekomende tijd. Dit waren God’s woorden van Belofte!!!
        2. Dus rustte het volk, zij vreesden niet.
        3. v. 30 – Alzo had het koninkrijk van Josafat vrede, want zijn God gaf hem rust aan alle kanten

      Conclusie

      Is God nu anders? Zijn Zijn woorden van belofte minder waar?

      Jezus zei,

      • “Komt tot Mij allen die zwaar beladen zijn en Ik zal u rust geven,” (Matt. 11:28).
      • “Ik ben met u al de dagen, tot aan de uiteinden der aarde,” (Matt. 28:20).
      • Hij zei dat Zijn woorden niet voorbij zullen gaan (Markus 13:31).
      • Hij zei dat Hij u zou opwekken op de jongste dag (Joh. 6:40).
      • Hij zei dat alles wat u in Zijn naam vraagt, u gegeven zou worden (Joh. 14:14).
      • Hij zei dat Hij Zichzelf aan u zou openbaren (Joh.14:21).
      • Hij zei dat Hij de Vader aan u zou openbaren (Matth.11:27)
      • En Hij zei dat Hij zou wederkomen in de wolken en dat ieder oog Hem zal zien (Mark.13:27).

      Omdat u weet wie God is en wat Hij al voor u gedaan heeft, kunt u Hem nog meer vertrouwen voor de toekomst en hoeft u niet bang te zijn dat Hij u zal blijven handhaven, van u zal blijven houden en Zijn wonderbaarlijke liefdevolle plan in uw leven zal voortzetten.

      Wilt u Hem vertrouwen? Hoeveel zult u op Hem vertrouwen? Hoeveel zult u in Hem rusten? Het is aan u.

Reageren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.