In de jaren 1640-3 werden niet alleen de belangrijkste werken in de conservatieve natuurrechtentraditie gepubliceerd, maar verscheen ook een rivaliserende manier van spreken over natuurrechten. Zoals we in hoofdstuk drie hebben gezien, leverde Grotius de basistaal voor beide tradities: de conservatieven baseerden zich op het centrale idee dat vrije mensen in staat zijn afstand te doen van hun vrijheid, terwijl de radicalen zich baseerden op het (bij Grotius meer perifere) idee van interpretatieve naastenliefde toegepast op fundamentele politieke overeenkomsten. Bij de huidige stand van onze kennis lijkt dit soort radicalisme in die tijd een uitsluitend Engels verschijnsel te zijn geweest: sommige Nederlandse juristen namen Grotius’ opmerkingen in de Inleidinghe over onvervreemdbare vrijheid over en gebruikten die om de slavernij aan te vallen, maar geen enkele Nederlander schijnt vóór de jaren 1650 gebruik te hebben gemaakt van de heel andere en veel algemenere argumenten van de De Iure Belli.

Het moet worden benadrukt dat, hoewel het beginsel van de interpretatieve naastenliefde rechtstreeks leidde tot het begrip “onvervreemdbare rechten”, de radicalen nooit afstand hebben gedaan van de grondrechtentheorie die beide tradities gemeen hebben. Volgens beide tradities is het logisch dat vrije mensen afstand kunnen doen van al hun natuurlijke rechten; maar volgens de radicalen vereist naastenliefde dat wij aannemen dat zij dit niet hebben gedaan. Wij moeten aannemen dat onze voorgangers rationeel waren, en dat zij dus niet de bedoeling konden hebben ons volledig van onze rechten beroofd achter te laten.

Reageren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.