VOLLEDIGE TEKST VAN HET ARREST VAN HET HOF / BEVEL IS ALS VOLGT:-

Hoor de heer Balbir Singh, advocaat van de verzoekende partij, en mevrouw S. Linhares, advocaat van de verwerende partij, gehoord

2. Regel. De raadsman van de verwerende partij ziet af van betekening. Hear forthwith, with the consent of the learned counsel.

3. Indiener verzoekt onder meer om nietigverklaring en vernietiging van de aanmaningen van 16-1-2017 en 17-1-2017, die zijn afgegeven aan State Bank of India, ICICI Bank Ltd., en HDFC Bank, op grond van artikel 226, lid 3, van de Wet op de Inkomstenbelasting van 1961, en alle procedures die op grond daarvan zijn gestart.

4. Kort gezegd stelt indiener dat het onderwerp van bovengenoemd verzoekschrift betrekking heeft op de beoordelingsjaren 2011-12 en 2012-13, die volgens indiener zijn afgerond op grond van artikel 143, lid 3, van de wet, waarbij een belastingvordering van respectievelijk 12,85 crores en 21,61 crores Rs. is vastgesteld. De aanslagbiljetten werden respectievelijk op 14-3-2014 en 30-3-2015 vastgesteld. Voorts wordt aangevoerd dat indiener bij verweerder nr. 1 een omstandig verzoek heeft ingediend om de aanslag voor die aanslagjaren te schorsen, waarbij hij er onder meer op wees dat de meeste kwesties die aanleiding gaven tot de betwiste aanslag, in het voordeel van indiener zijn beslecht door diverse beslissingen van de beroepsinstanties. Vervolgens heeft indiener op of rond 24-4-2014 en 24-4-2015, voor de twee aanslagjaren 2011-12 en 2012-13 respectievelijk, beroep aangetekend bij de Commissaris (Beroep), welke beroepsprocedures nog hangende zijn. Daarna, volgens indiener, heeft verweerder nr. 1 op 3-1-2017 een brief aan indiener gestuurd met de mededeling dat er een vordering van Rs. 40,25 crores openstaat voor verschillende beoordelingsjaren, waaronder de voornoemde vordering. Indiener diende een gedetailleerd antwoord in, waarin hij onder meer verklaarde dat de terugvordering van 10,74 miljoen euro reeds had plaatsgevonden.74 crores reeds is teruggevorderd, hetgeen volgens indiener ver boven de 15 procent ligt die het CBDT heeft vastgesteld met zijn Office Memorandum van 29-2-2016 ((2016) 132 DTR (St) 341 : (2016) 284 CTR (St) 6) en de beslissing van dit Hof in de zaak Andrew Telecornrnunications India (P) Ltd. v. Principal Commissioner & Ors., genomen in Writ Petn. No. 1021 van 2016 ((2017) 295 CTR (Bom) 557 : (2017) 152 DTR (Bom) 80-E.J. Indiener voert echter aan dat indiener een verzoekschrift heeft ingediend bij verweerder nr. 2 waarin hij erop wijst dat de meeste kwesties die aanleiding geven tot de betwiste vraag in het voordeel van indiener zijn beslecht, waarvoor geen terugvordering kan plaatsvinden, en onverminderd het feit dat meer dan 15 procent van de betwiste vraag, in de zin van het CBDT Office Memorandum datum 29-2-2016, reeds is teruggevorderd voor de beoordelingsjaren 2011-12 en 2012- 13. Het genoemde verzoekschrift werd door verweerder nr. 2 afgewezen door verzoeker op te dragen verweerder nr. 3 te benaderen, hoewel werd toegegeven dat niet meer dan 15 procent van de totale vraag kan worden ingevorderd in de zin van het memorandum van het CBDT van 29-2-2016. Een gedetailleerd verzoekschrift werd vervolgens ingediend bij verweerder nr. 3 op 18-1-2017, waarin de voornoemde feiten aan het licht werden gebracht. Maar tijdens het interregnum, ergens op 16-1-2017 en 17-1-2017, heeft verweerder nr. 1 de betwiste aanmaningen krachtens sectie 226(3) van de Wet aan de Banken afgegeven, waarbij beslag werd gelegd op de bankrekeningen van de verzoekers, te weten rekeningnummers 31753129234 bij de SBI, 136405000027 bij de ICICI Bank Ltd., en 12130310000107 bij de HDFC Bank. Omdat hij door de genoemde berichten is benadeeld, heeft de indiener zich met het bovenstaande verzoekschrift tot dit Hof gewend.

5. De heer Balbir Singh, senior counsel, die opkomt voor de indiener van het verzoekschrift, wijst erop dat de verweerders helemaal niet gerechtvaardigd zijn om de aangevochten bevelen uit te vaardigen en beslag te leggen op de rekeningen van de indiener van het verzoekschrift, aangezien, volgens hem, meer dan 15 procent van de betwiste vraag reeds veilig is gesteld ten gunste van de verweerders. De hooggeplaatste raadsman wijst er voorts op dat, hoewel het beroep aanhangig is bij de Commissaris van Beroep, verweerder nr. 1 ten onrechte is overgegaan tot beslaglegging op de genoemde bankrekeningen van de verzoeker. De hooggeplaatste raadsman wijst er voorts op dat deze grief van de indiener van het verzoekschrift niet langer res Integra is gezien het arrest van dit Hof in de zaak Andrew Communications India (P) Ltd. (supra).

6. Anderzijds heeft mevrouw Linhares, de advocaat van verweerders, niet betwist dat in feite een bedrag van 10,74 miljoen Rs aan verzoeker moet worden terugbetaald, wat meer is dan 15 procent van de betwiste vordering in het kader van het bestreden beslagleggingsbevel. De geleerde raadsman betwist ook niet dat de feiten in de onderhavige zaak identiek zijn aan de feiten in de zaak Andrew Communications India (P) Ltd. (supra). (supra).

7. Wij hebben de pleidooien van de geleerde raadsman gehoord en ook de stukken doorgenomen. Om de redenen die in voornoemd arrest van het Hof in de zaak Andrew Communications India (P) Ltd. (supra) zijn uiteengezet, en aangezien het Hof in zijn arrest in de zaak Andrew Communications India (P) Ltd. (supra) heeft geoordeeld dat de zaak niet in behandeling is genomen, hebben wij de zaak niet in behandeling genomen. (supra) en aangezien niet wordt betwist dat de feiten in dat arrest identiek zijn aan de feiten in de onderhavige zaak, hebben wij geen reden om in het onderhavige verzoekschrift een tegengesteld standpunt in te nemen. Weliswaar is 15 procent van het betwiste bedrag reeds teruggevorderd door de respondent-Revenue en wordt dit bedrag gedekt door het Office Memorandum dt. 29-2-2016 uitgegeven door het CBDT. In deze omstandigheden zijn wij van mening dat de verweerders niet gerechtvaardigd waren om de aangevochten berichten van beslaglegging op grond van artikel 226, lid 3, van de wet uit te vaardigen. De vordering van de indiener van het verzoekschrift, in dit stadium, tot terugbetaling van de bedragen die op grond van dergelijke aanwijzingen in beslag zijn genomen, is in het geheel niet gerechtvaardigd en kan in dit verzoekschrift niet worden ingewilligd.

8. De geleerde senior raadsman die voor de indiener van het verzoekschrift optreedt, heeft een memo overgelegd met het werkelijke bedrag in geschil voor de betreffende beoordelingsjaren, evenals de bedragen die zijn teruggevorderd op basis van terugbetalingsopdrachten, welke cijfers niet worden betwist door de geleerde raadsman die voor de respondenten optreedt. De genoemde memo is ter identificatie met X” gemerkt. Gelet op het bovenstaande worden de aangevochten aanmaningen datum 16-1-2017 en 17-1-2017 afgegeven aan de State Bank of India, ICICI Bank Ltd., en HDFC Bank op grond van artikel 226, lid 3, van de wet met betrekking tot de beoordelingsjaren 2011-12 en 2012-13 vernietigd en terzijde gelegd. De regel wordt in de bovengenoemde bewoordingen absoluut gemaakt.

Reageren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.