In 2 Korintiërs Hoofdstuk 11 vervolgt Paulus zijn tweede brief aan de christelijke gemeente in Korinthe met enkele waarschuwingen over valse leraren.

“1 Korinthiërs 2 Korinthiërs Galaten”
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
11 12 13

” Alle Boeken in de Bijbel “

Paulus’ Waarschuwing tegen Valse Leraren

Paulus vertelde de Korinthiërs dat hij bezorgd was dat ze zouden afdwalen van de eenstemmige toewijding aan Christus die hij hen had geleerd toen hij daar was. Zijn vrees was dat zij zouden luisteren naar andere predikers (die hij valse apostelen noemde), die beweerden volgelingen van Jezus te zijn, maar die hen anders probeerden te onderwijzen dan de waarheid die Paulus hun zelf had verkondigd.

Verwacht oneerlijke predikers

Paul waarschuwde de Korinthiërs om op hun hoede te zijn voor deze valse predikers, en zei hen niet te luisteren naar ijdel gepoch van hen over hun autoriteit om in de naam van de kerk te prediken. Paulus herinnerde hen er ook aan dat zij niet verbaasd moesten zijn dat sommige predikers oneerlijk zijn, want zelfs Satan vermomt zich als een engel des lichts om mensen te misleiden hem te volgen.

Paulus zei hun dat hij er altijd voor gezorgd had dat hij hen niet tot last was, maar dat deze valse predikers verwachten door hun volgelingen gesteund en gehoorzaamd te worden.

Paulus valideert zijn boodschap

Paulus zei in 2 Korintiërs hoofdstuk 11 dat wat hij hen over Jezus en de kerk had geleerd de waarheid was. Hij zei dat ook al was hij niet zo’n groot spreker als degenen die hij de “superapostelen” van de kerk noemde, zijn kennis en geloofsovertuiging even waar waren. Hoewel hij misschien nederig was in zijn benadering van hen, zei hij dat ze niet moesten twijfelen aan zijn waarheid en autoriteit om te spreken in de naam van Jezus.

Paulus spreekt over zijn geloofsbrieven

Paulus bevestigde zijn liefde voor de gemeente in Korinthe in 2 Korinthe hoofdstuk 11 en gaf hen verschillende voorbeelden van de beweringen die valse predikers zouden doen om te proberen hun autoriteit te bewijzen. Hij vertelde hen dat hij dezelfde dingen over zichzelf zou kunnen zeggen – dat zij Hebreeërs, Israëlieten, en nakomelingen van Abraham en dienaren van Christus zijn.

Paul sprak toen over zijn geloofsbrieven. Hij zei dat als zij onder de indruk waren van de geloofsbrieven van de valse leraars, zij moesten weten dat Paulus meer geleden heeft dan elk van deze valse predikers in Christus’ naam. Ook, zei hij, heeft hij harder gewerkt, meer gevangen gezeten, gegeseld, geslagen en gestenigd, schipbreuken geleden en voortdurend gevaar gelopen.

Paul zei verder dat hij lichamelijk had geleden – honger, dorst, koude en uitputting – en geestelijk, zich zorgen makend over de gemeenten die hij heeft helpen stichten. In feite waren het zijn zwakheden waar hij het meest trots op was, omdat ze lieten zien dat het Christus was die sterk is en die door Paulus werkte.

“Vorig hoofdstukVolgende hoofdstuk”

2 Korintiërs 11 (King James Version)

1 Zoudt Gode welbehagen, dat gij mij een weinig verdroeg in mijn dwaasheid; en inderdaad, verdraagt mij.

2 Want ik ben jaloers op u met een goddelijke jaloersheid; want ik heb u één man toegewijd, opdat ik u als een kuise maagd aan Christus presentere.

3 Maar ik vrees, dat op geenerlei wijze, gelijk de slang Eva door zijn arglistigheid bedrogen heeft, alzo uw gedachten verdorven zullen worden van de eenvoudigheid, die in Christus is.

4 Want indien hij, die komt, een anderen Jezus predikt, dien wij niet gepredikt hebben, of indien gij een anderen geest ontvangt, dien gij niet ontvangen hebt, of een ander Evangelie, dat gij niet aangenomen hebt, zo zoudt gij hem wel kunnen verdragen.

5 Want ik denk, dat ik geen greintje achtersta bij de voornaamste apostelen.

6 Maar al ben ik grof in spreken, toch niet in kennis; maar wij zijn in alles onder u openbaar geworden.

7 Heb ik een aanstoot begaan door mij te vernederen, opdat gij zoudt verhoogd worden, omdat ik u het Evangelie Gods vrijelijk verkondigd heb?

8 Ik heb andere gemeenten beroofd, door loon van hen te nemen, om u dienst te doen.

9 En als ik bij u was, en begeerd werd, was ik niemand ten laste; want wat mij ontbrak, leverden de broeders, die uit Macedonië kwamen; en in alles heb ik mij bewaard om u niet tot last te zijn, en alzo zal ik mijzelven bewaren.

10 Daar de waarheid van Christus in mij is, zal niemand mij van dit opscheppen in de gewesten van Achaja afhouden.

11 Waarom? Omdat ik u niet liefheb? God weet het.

12 Maar wat ik doe, dat zal ik doen, opdat ik gelegenheid afsnijd van hen, die gelegenheid begeren; opdat zij, waar zij roemen, gevonden worden gelijk wij.

13 Want dezulken zijn valse apostelen, bedrieglijke werkers, zich veranderende in apostelen van Christus.

14 En geen wonder, want Satan zelf is veranderd in een engel des lichts.

15 Daarom is het geen grote zaak, indien ook zijn dienaren veranderd worden als de dienaren der gerechtigheid; wier einde zal zijn naar hun werken.

16 Ik zeg wederom: Laat niemand mij voor een dwaas houden; indien anders, nochtans als een dwaas ontvang mij, opdat ik mijzelven een weinig beroeme.

17 Hetgeen ik spreek, spreek ik niet naar den Heere, maar als het ware dwaas, in dit vertrouwen van roemen.

18 Daar velen roemen naar het vlees, zal ik ook roemen.

19 Want gij lijdt gaarne dwaas, daar gij zelf wijs zijt.

20 Want gij lijdt, als een mens u in slavernij brengt, als een mens u verteert, als een mens van u neemt, als een mens zich verheft, als een mens u op het aangezicht slaat.

21 Ik spreek als over smaad, alsof wij zwak waren geweest. Maar waar iemand vrijmoedig is, (ik spreek als een dwaas) ik ben ook vrijmoedig.

22 Zijn zij Hebreeërs? Zo ben ik. Zijn zij Israëlieten? Zo ben ik. Zijn zij het zaad van Abraham? Zo ben ik.

23 Zijn zij dienaren van Christus? (Ik spreek als een dwaas) Ik ben meer; in arbeid overvloediger, in strepen boven maat, in gevangenissen vaker, in sterfgevallen vaak.

24 Van de Joden ontving ik vijfmaal veertig strepen op één na.

25 Dikwijls ben ik met roeden geslagen, eenmaal ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een nacht en een dag ben ik in de diepte geweest;

26 In reizen dikwijls, in gevaren van wateren, in gevaren van rovers, in gevaren door mijn eigen landgenoten, in gevaren door de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren in de zee, in gevaren onder valse broeders;

27 In vermoeienissen en pijnigingen, in waken dikwijls, in honger en dorst, in vasten dikwijls, in koude en naaktheid.

28 Naast hetgeen zonder is, hetgeen dagelijks op mij komt, de zorg voor al de gemeenten.

29 Wie is zwak, en ik ben niet zwak? Wie is beledigd, en ik brand niet?

30 Indien ik roemen moet, zal ik roemen in de dingen, die mijn zwakheden betreffen.

31 De God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die gezegend is in der eeuwigheid, weet, dat ik niet lieg.

32 Te Damascus hield de landvoogd onder Aretas, den koning, de stad der Damasceners met een garnizoen, verlangende mij te arresteren:

33 En door een venster in een mand werd ik door den muur neergelaten, en ontkwam aan zijn handen.

“Vorige HoofdstukVolgende Hoofdstuk”

Reageren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.